Archive for the 'Lettertjes en woordjes' Category

Eed of belofte, de notaris weet het niet…

woensdag, juni 20th, 2007

Vanavond zag ik hem weer: de reclame voor de “Notaris”. Behoorde vroeger de notaris tot de notabelen met een eerzaam beroep, tegenwoordig zijn ze commercieel. Ik vind dat jammer maar goed, de tijd hobbelt door en we scharen het onder de noemer van vooruitgang.

Waarvoor heb je een notaris nodig? Ze komen onder andere om de hoek kijken bij testamenten, samenlevingscontracten en bij het kopen van een huis. Natuurlijk doen ze nog veel meer interessante dingen. Vrijwel al die dingen zijn verbonden met een belangrijke stap in een mensenleven. Belangrijke dingen die nauwkeurigheid vereisen.

Nu hebben ze deze reclame. Onder stemmige muziek maken toga’s zich klaar om iemand “in te zweren” en een dame maakt zich klaar om dat te gaan doen. Als de ceremonie begint valt de onvermijdelijke laatkomer binnen. (Is dat de komische noot?) Het filmpje heet “Dat beloof ik!”

De eerste gesproken woorden: “Als notaris zweer ik…”. De dame beantwoord de formule met “Dat beloof ik!”. Filmpje!

Nu zijn de waarschuwingen bij het afleggen van een eed niet van de lucht! Een plechtig moment, maak geen fouten! Dan nog zijn er mensen die zeggen “Zo waarlijk helpe mij God allemachtig!”

Er zijn in dit soort gevallen twee keuzes: de eed (“Zo waarlijk helpe mij God almachtig”) als u in god gelooft, de belofte (“Dat beloof ik”) als u dat niet of anders doet. U mag gelukkig zelf kiezen. Volgens mij bestaan er geen mengelmoesje van die twee en aangezien het best wel een serieuze zaak is moet je daar zorgvuldig mee zijn. Zeker als notaris. U begrijpt, er ging iets kriebelen bij mij na het zien van deze reclame en niet alleen omdat mijn tenen zich er van kromden.

Volgens Van Dale is zweren: “een eed of eden afleggen”. Wat is dan een eed afleggen? Van Dale:“plechtige verzekering onder aanroeping van God, dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen”. Volgens mij heb je dus als je zweert, God nodig!

Conclusie: Zolang de dame “dat beloof ik” roept legt ze de belofte af en zouden de eerste gesproken woorden “Als notaris beloof ik…” moeten zijn!

Ach…. u zal het waarschijnlijk allemaal een worst zijn, zolang u de erfenis maar krijgt! 😉

sjiek

Brief

vrijdag, juni 1st, 2007

Opstaan. De geur van koffie drong al door vanuit de keuken. Opstaan! Hij klom uit bed en waste zich, deed kleren aan. In de keuken schonk hij zichzelf koffie in en zette het apparaat uit. Zo zou hij het niet vergeten, hij had al eens een nieuwe moeten kopen.
Boven de ochtendkrant dronk hij zijn koffie. Niets nieuws. Onderzoekjes, statistieken. Criminaliteit. Moorden: afgenomen. Inbraken en straatroof: toegenomen. De eeuwig terugkerende golf.

Tijd om te gaan. Weer een lange dag die begon met anderhalf uur openbaar vervoer en daar ook mee zou eindigen. Jas aan, koffertje gepakt, de deur uit. Hij draaide de deur op slot en liep weg. Oeps! Hij was de brief vergeten. De brief die hij gisteravond zo zorgvuldig geschreven had. Soms met tranen in zijn ogen. De brief die hij voortaan bij zich zou dragen, zo had hij besloten. Hij moest die brief nu pakken, anders zou hij hem nooit bij zich gaan dragen. Terug in huis pakte hij de brief, vouwde hem klein en stopte hem in zijn portemonnee. Die had hij altijd bij zich, zo was het goed. Snel weer weg en met een beetje geluk haalde hij zijn bus nog. De dag was begonnen.

Ze waren met zijn vijven die middag. Twee man uitkijk, èèn voor de overdracht en hij samen met Harry voor het handenwerk. Ze waren goed, hij wist het. Een mooi team. De uitkijkers hadden een neus voor politie. Zo herkenbaar, zelfs in burger. Er was iets in hun gedrag, uitstraling. Ping! Dan trilde het mobieltje in zijn broekzak. Liever een keer te veel dan te weinig. Het was een aardige dag tot nu toe. Mp3-spelers, een enkele I-pod, een los paspoort. Handel en de spits was nog maar net begonnen.

Het was eigenlijk altijd een verrassing wat de buit was. Soms zag je de oordopjes hangen, dat was een zekere. Maar uiteindelijk ging het er om om de juiste uit te zoeken. Dat deed Harry. Harry wachtte bij de trein en zocht er één uit. Ging naast hem lopen in de drukte van mensen die de trein uitkwamen. Zelf ging hij aan het begin van het perron tegen de stroom in, botste en deed zijn werk. Binnen was de buit. Daarna meteen overgeven zodat hij niks meer had mochten ze hem ooit pakken. Een goed team, je kon er op vertrouwen en hij was er trots op. Met zijn vijven hadden ze zo een aardige boterham extra, naast hun andere klussen. Een goed leven zo lang je niet gepakt werd. De volgende trein die aankwam was die op perron vijf. Ze stonden klaar.

Hij stapte uit, de meute in. Jas los, koffer in de hand. Het was benauwd geweest in de trein. Druk. De redelijk frisse lucht buiten deed hem opgelucht ademen terwijl hij door de stroom werd meegevoerd. Nog een kleine twintig minuten met de bus. Voor hem doemde plotseling een man op. Een eikel die tegen de stroom inliep. Met een klap liep hij tegen hem aan.

De dingen gaan plotseling snel die middag. Hij voelde het mobieltje afgaan. Zijn vingers zittten al in de binnenzak van de man. Portemonnee! Naast Harry verschijnt een snor die zijn hand op Harry’s schouder legt. Zelf mompeld hij een excuus tegen de man, begint te lopen en steekt de buit in zijn binnenzak. Voetstappen achter zich. Rennen! Zigzaggend door de mensen. Weg van hier! Buiten het station. Was hij ze kwijt? Hij keek achterom. Geluk. In de spits waren ze hem kwijtgeraakt. Hij liep door, weg van het station. Schichtig keek hij achterom…

Ze had haast. Haar lief was aangekomen op het station en ze was laat. Het verkeer had tegen gezeten. Ze wilde hem zo graag zien. Het laatste stukje naar het station. Net te hard. Te hard om de man te ontwijken die plotseling voor haar auto de weg overstak. Hij raakte haar bumper, sloeg tegen het raam, over de auto. Bleef liggen terwijl langzaam een plas bloed verscheen.

De ambulance was snel verschenen ondanks de spits. De man op het asfalt leefde nog. Nauwelijks maar toch. De eerste handelingen werden verricht. De man had nog een kans. Infuus, vocht. Bloeden stelpen. Monitor. Letsel aan alles. Dit werd een moeilijke klus. Terwijl ze met hem bezig waren vonden ze zijn portemonnee. Belangrijk. Mensen moesten gebeld worden. De ambulancechauffeur gaf de portemonnee aan de politie. De man was klaar voor vervoer. Samen tilden ze de man de auto in. Vergrendelen. Klop op de deur. Een agent met een vervouwen a4tje. “Uit z’n portemonnee, belangrijk voor jullie denk ik..”. De ambulance rijdt nu. De man is wankel. De broeder leest het papiertje. Helder. Een lange piep klinkt opeens door de wagen. De chauffeur schreeuwt over de sirenes heen of hij moet stoppen voor een reanimatie. De broeder schudt zijn hoofd. Het hoeft niet, de sirenes kunnen uit. De man op de brancard heeft laten weten dat het allemaal niet hoeft, dat hij gelukkig is met een einde.

Veel te laat komt hij thuis. Gedoe op het station. Politie in burger. Zakkenrollers. Zijn portemonnee is hij kwijt. Met inhoud. Een kopie van de aangifte heeft hij in zijn koffertje zitten. Geld, pinpas, brief. Hij voelt zich belazerd. Die brief was belangrijk. De beslissing was zwaar. Nu hij zo ver is gekomen zal hij door moeten zetten. Gelukkig staat de brief op zijn pc. Hij besluit hem meteen nog eens uit te printen. Opent “word” en scrolt naar het bestand: “Verklaring geen reanimatie”

Blad op de rails

zondag, mei 27th, 2007

Hij las de “Rails” wel eens door. Vooral de advertenties waarin mensen elkaar zochten, vaak na slechts een schuchter oogcontact. Grappig. Blijkbaar sloeg de bliksem wel eens over onder de bovenleiding. Sinds kort herkende hij het.

Ingestapt in Utrecht was hij gaan zitten. Tweede klas en het was in de begindrukte net voor de spits. Terwijl de trein vertrok keek hij eens het treinstel door. Niet veel te zien, het zicht beperkt omdat hij links achterin zat. Hij kon alleen de banken naast hem en net een set banken naar rechts voor kijken. Vluchtig keek hij de medepassagiers langs. Kalende ambtenaren met leren kantoortassen, sommige met schouderband. Zakenfiguren met koffertje. Ok, hij was dan kalend maar hij droeg wel een rugzak. Dat was eigenlijk net zo beeldbepalend bedacht hij.

Moe keek hij naar buiten waar de herfst had toegeslagen. Het kon nog net want het werd nu snel donker. Het raam begon te spiegelen. De coupe werd duidelijker zichtbaar in het voorbijgaande landschap. Dat was leuk want nu kon hij lekker zijn hoofd tegen de koele zijkant van de bank aanleggen en zo toch een beetje rondkijken. Lang hield hij het niet vol. De mensen waren stil, bewogen werd er weinig. Al snel sloot hij zijn ogen, dommelde weg, slechts wakker gehouden door zijn eigen vermoeidheid.

Station Gouda. Hij ging rechtop zitten. Mensen gingen naar buiten, mensen kwamen binnen. Zij ook. Een beetje tuttig met kantoorrok. Niet zo’n christelijke rok waarvan je er op deze route er wel eens meer van zag, vaak hangend om puberale meisjes die blijkbaar in kuddes van a naar school gingen omdat in hun woonplaats niet de juiste school te vinden was. Een nette, ietwat tuttige kantoorrok. Hij verbaasde zichzelf door naar haar te blijven kijken terwijl ze ging zitten. Rechts van het pad, in de volgende box tegenover hem zodat hij haar nog net kon zien. Hij bleef kijken terwijl ze zich nestelde op de bank tegenover hem. Ze merkte het niet, kruiste haar benen netjes en pakte een boek. Mooie ogen bedacht hij. Ze keek op en hij wendde zich af. Oef!

Terwijl de trein alweer in volle vaart was gekomen waagde hij het om weer op te kijken, Haar jas was nu los terwijl ze zat te lezen. Ze was echt leuk. Hij verbaasde zichzelf weer over die gedachte. Ze was tuttig!! Wat had hij? Waarom raceten de gedachten door zijn hoofd, kon hij ze niet vastzetten? Hij zat te staren, grofweg te staren en ze voelde het. Keek op. Zag hem. Zag hem staren. Keek terug. Hij voelde zich onmetelijk warm worden. Bloed steeg naar zijn hoofd. Paniek! Verwarring!! Buiten was het opeens heel interessant…Heel mooie ogen.

Wat moest hij nu? Hij moest weer kijken, gedwongen. Maar hij kende dit niet. Dit waren onbetreden paden. Daarom wilde hij eigenlijk ook niet. Dit was hij niet. Hij besloot zijn ogen weer dicht te doen, leunde weer tegen de hoofdsteun van de bank. Hij zuchtte. Keek naar buiten en ving een glimp op in het raam. Hij kon haar zien! Maar net, niet scherp, schuin en vertekend. Hij keek, keek via het glas. Ze las weer met haar wonderschone ogen.

Wat nou! Overboord met al die zekerheden! Weg met gekozen veiligheid! Wat wilde hij nou? Maar wat nou als, wat nou als het misging? Wat nou als het klikte? Mond vol tanden? Lak! Hij verschoof en keek weer naar haar terwijl ze zat te lezen. Wat was dat nou voor rare sjaal? Eigenlijk droeg ze ook wel tuttige schoenen… Hij verviel weer in een onbeschaamd staren. Als ze nu keek zou hij haar gewoon aankijken. Langer dan comfortabel. Zo werkte dat toch? Ze keek… hij keek een eeuwigheid en ze lachte. Ze lachte en gooide keihard een ongelofelijke hoeveelheid benzine op het vuur. Volkomen de weg kwijt zakte hij weer weg naar links. Wat was dit? Goed? Slecht?

Wat nu!? Hij hoorde het zichzelf schreeuwen. Hij wilde weg, hij wilde blijven. Wat nu!? Nog even, straks misschien bij het uitstappen, een kans? Maar wat, o mijn god, wat moest hij zeggen? In zijn hoofd was hij al stappen vooruit die even plotseling als weer terug werden gedaan. Paden werden bewandeld maar eindigden allemaal abrupt in een labyrint van gedachten. Hij staarde in het raam waar haar gespiegelde beeld ook niet bijdroeg aan het vinden van rust, aan het vinden van de moed.

Den Haag Centraal. Eindpunt en ze was er nog. Kritisch punt. Doe nou! Niet! Hij stond op. Zij stond op. Hij liet haar voorgaan toen ze haar box uitkwam. Het middenpad op. Ze lachte zijn hoofd op hol zoals ze had gedaan als hun blikken elkaar nog eens kruisten en hij verdronk in haar ogen. Geen zinnig woord zou hij zo kunnen spreken hoogstens “uh”. Op het balkon steeg de hartslag en werd het warm. Ze stapten uit. Wat moest hij zeggen? Wat kon hij doen?

Vanaf het perron liep hij de hal in. Ze liep nu achter hem. Hij maande zichzelf tot actie en besliste dat het zo niet kon. Dat hij anders die nacht wakker zou liggen, zichzelf vervloekend. Hij draaide zich om… weg! Ze was weg. Nergens meer te zien. Hij liep terug tegen de stroom in. Weg! Hij liep een rondje in de hal, de boekenwinkel, de cd-zaak. Zoekend. Nog een rondje in de hal, naar het perron in de hoop haar weer te vinden. Maar ze was er niet. Niet meer.

In de bus was hij boos geweest. Boos op de bliksem die was ingeslagen. Boos op zichzelf. Boos om de gemiste kans wat te doen. In de dagen erna sloeg de boosheid om in verlangen, in dromen van wat had kunnen zijn op wel honderd manieren. In de stilte van die dromen nam hij de beslissing om een volgende keer het gewoon te doen…

Het bos van de negen

zaterdag, mei 26th, 2007

Ik dwaalde door het bos totdat ik bij een water kwam. Ik nam een slok terwijl de vissen onder mijn handen wegschoten. Koel helder water met sterren erop. Dit was de plek om mijn kamp op te slaan. Een omgevallen boom om op te zitten, mos om op te liggen. Ik verzamelde negen stenen voor mijn kring en hout om vuur te stoken terwijl de avond viel. Op mijn boom zat ik te denken waar mijn pad zich heen zou kronkelen en zong een oud dwalerslied:

“Paden, wegen
kennen geen begin

Kom stap in ferme passen
over karresporen heen
Vrees geen trollen en geen heksen
want die zijn toch slecht ter been

Paden, wegen
kennen nooit een eind

Kom stap in ferme passen
over karresporen heen
Vrees geen rovers en bandieten
in mijn rugzak zit slechts steen”

Met het laatste woord besefte ik dat ik mijn negensteens kring nog moest maken voor de nacht definitief viel. Rond de zachtste plek in het mos, legde ik een cirkel van steen zodat een vredige slaap mij zou kunnen overmeesteren tot de eerste vogels zouden gaan zingen. Nog voor mijn hoofd het mos raakte sliep ik al een slaap zonder dromen.

=====

Zacht kwamen ze aangelopen, eigenlijk was het meer zweven. Op vijf poten en onderling verbonden door een rood gloeiende ketting. Hoorns van staalblauw rondom een hoofd met drie ogen. Ze snoven, kwijlden, bliezen naar elkaar, de negen. Ze liepen om de kring. Voorzichtig. De voorste beroerde met zijn hoornen poot 1 van de stenen en met een pijnlijke schreeuw sprong hij achteruit. Dit hadden ze vaker gezien, gevoeld. Wild liepen ze door elkaar heen, kettingen rinkelden maar raakten niet in de knoop als zij elkaar vloeiend doorkruisden. Een ziel, een dwaler, een kring. Honger, drang. De kring was te veel, nooit zouden ze hem kunnen doorbreken. Ze wisten het. Uiteindelijk was het de voorste die om de cirkel heen liep. De ketting kwam strak te staan en zo trok hij de tweede van de negen mee… Langzaam vormde zich een cirkel verbonden door een rode gloed. En zo gebeurde het dat bij elke steen 1 van de negen stond. De kettingen strak. Een cirkel van negen stenen, een cirkel van de negen er precies omheen. Pas. Instinctief voelden de negen dat dit bijzonder was, een sleutel. Alsof het afgesproken was stapten ze gelijktijdig de cirkel in. Niets gebeurde, geen pijn, geen schok. Met een vreugtekreet stortten ze zich op de slapende man.

=====

Ik loop door het bos en heb honger. Net als ik een bes wil plukken trekt een rood gloeiende ketting mij mee. Ik schreeuw. Wij zijn tien. Op zoek naar een dwaler, een reiziger die gaat slapen in ons bos. Die denkt dat negen stenen, hem van ons verlost.

Bos van de negen

Bedtime story:

zondag, mei 6th, 2007
= = STILETTO = =

Sinasappelchocola, bitter. Ze proefde voorzichtig. Ze wist niet of ze het nou lekker vond of niet. Ze besloot dat een klein stukje wel genoeg was.

Hij stapte onder de douche vandaan. Fris. Droogde zich af en besloot een klein beetje after-shave op te doen. Dezelfde geur als de doucheschuim. Zoet met een klein beetje vuur. Alsof een speciale houtsoort lag te schroeien, hij was er dol op.

Met de chocolade in haar mond liep ze door de kamer. Bitter, langzaam smeltend. Een gemarmerde schouw om een openhaard. Pook en borstel ernaast. Hij stond niet aan en dat vond ze jammer. Een openhaard verhoogde de sfeer. Misschien moest ze hem aanzetten?

Hij bekeek zichzelf in de spiegel. Twijfelde, handdoek, boxershort of badjas. Het kon maken of breken. Hij besloot zijn tanden nog maar eens te poetsen.

Het tapijt voelde zacht onder haar blote voeten. Kroop omhoog tussen haar tenen. Aangenaam warm. Hij zou zo wel komen, de douche was al weer een poosje gestopt. Dan altijd weer die drempel. Ongemakkelijk naar het begin. Ze zou hem helpen. Ze liep naar het bed, een boxspring, ging liggen. Op het sprei. Probeerde verleidelijk te gaan liggen maar vond de juiste houding niet. Ze miste wat. Te kwetsbaar was het zo. Het moest krachtiger, uitdagender, dominanter. Zodat ze straks nog de controle had.

Hij haalde diep adem. Badjas aan, maar nonchalant, los. Haalde zijn handen door zijn haar en deed de badkamerdeur open. Ze was gaan liggen. Op bed. Uitnodigend. Zwarte lingerie. Glimlachend keek ze hem aan. Ongekende schoonheid, nooit eerder gehad.

Ze zaten niet echt makkelijk. Maat te klein en hakken waar ze niet op kon lopen. Gelukkig hoefde dat niet, konden ze zo uit. Maar ze was er wel tevreden mee. Ze voelde zich beter met de zwarte stiletto’s aan. Krachtiger, zoals ze gewild had. Ze verleidde hem met haar ogen, draaide haar lichaam een beetje. Open.

Zijn blik dwaalde over haar lichaam en hij voelde zichzelf warm worden. Nooit eerder was hij met zo’n mooie vrouw… Hij verstilde, verstarde in een ijskoude kippenvel. Die schoenen.. hij kende die schoenen. Haar schoenen. Hij brak. Tranen. Draaide zich om, liep de badkamer in. Op slot. Op de rand van het bad begon een scheurend huilen. Huilen van schaamte, huilen van gemis.

Iets was verschrikkelijk mis gegaan. Stil stond ze op. Trok haar kleren aan. Legde de schoenen terug in de kast waar ze ze had gevonden. Onder hangende jurkjes. Ze kon maar beter weggaan. Zacht sloot ze de voordeur. Zoveel verdriet vroeg om alleen gelaten te worden….

stiletto
inspired by Xan

Prins Gerwijn en de Draak

zaterdag, april 7th, 2007
Xan’s draak kl
(c)Xan

Er was er eens, heel, heel lang geleden, in een land hier ver, heel ver, vandaan, een draak. Het was een mooie draak, groen met blauwe glans over zijn schubben. Zo’n draak waarvan je zegt: “Da’s een echte!”. Een draak waar menig prins of ridder hard voor weg zou rennen. Een draak met rook uit zijn neus en vonken als hij nieste waardoor je wist dat het ook een echte vuurspuwende was. Zo’n draak dus!
Hij leefde een rustig leventje. Zwierf een beetje door het land en, als het zijn beurt was, bewaakte hij af en toe eens een prinses. Dat laatste was een vervelende bijkomstigheid van het draak zijn. Maar goed, zo was het afgesproken door de BvD, de Bond van Draken. Alleen als het een “slaapprinses” was vond hij zijn beurt niet zo erg. Andersoortige prinsessen waren altijd minder. Die zaten de hele dag in hun toren en kamden hun haar ondertussen hardop dromend over de prins die hun zou komen redden. Geen moment hileden ze hun mond. Een prins moest een wit paard hebben, knap en rijk zijn, moedig zijn, een mooi kasteel hebben en ga zo maar door. Dan zat je daar als draak op het dak van de toren en probeerde je rustig een boek te lezen… Nee, dat waren niet de beste diensten. 100 keer per dag de vraag of je al iets zag van een prins, daar werd je moe van!
Als je dan pech had kwam er dan ook nog eens zo’n dwaas van een prins. In harnas met een tandenstoker. Vaak was een kuchje vuur al voldoende om de sukkel te barbequen. Ingeblikte gerookte ham. Vervolgens zat je dan ook nog eens met een huilende prinses opgescheept. Weg rust!

Natuurlijk was er een uitzondering: Prins Gerwijn. Hij had prins Gerwijn alweer een poosje geleden leren kennen. Op een nacht, hij wist het nog goed, zat hij wat te dommelen op het torendak. De prinses sliep haar onschuldige slaap, af en toe zuchtend om een prins. “Pssst!”… “pssst, draak!” Hij had een oog opengedaan en zag onder aan de toren een mannetje staan. Hij had meteen geweten dat het een prins was. het gekapte haar, de volle stoere kaak, de heldere ogen. Duidelijk een prins maar geen paard, geen harnas, geen prikkertje. Hij schraapte lichtjes zijn keel en maakte zich klaar voor een heel klein kuchje… “Wacht even, een voorstel!” De prins had een mooi voorstel gedaan en hij had niet gekucht.
De volgende dag had de prinses opgewonden kreten geslaakt toen in de verte een wit paard kwam aangereden. Een wapperend banier en een prins die zijn helm onder zijn arm droeg maakte haar geluk compleet. Draak had een grote bal vuur de lucht in gespuwd en de luiken gesloten. Vervolgens was hij een potje gaan kaarten onderaan de toren met prins Gerwijn. Af en toe had de prins een ijselijke kreet geslaakt en hij had wat rook omhoog geblazen. Na een uurtje was het wel genoeg geweest en was hij met zwaard tussen borst en vleugel op de grond gaan liggen. Prins Gerwijn had vervolgens de prinses gered, had haar een dode draak laten zien en was richting horizon gereden. Prinses zwijmelend in zijn armen.

De Bond van Draken was niet blij geweest toen hij had uitgelegd waarom zijn prinses weg was maar hij niet dood. Het was altijd “of de prins, of de draak” geweest. Maar zijn argument dat hij nu eens geen dagenlang wanhopig huilende prinses had gehad sprak ook de andere draken wel aan. Na overleg met de Bond van Prinsen werd afgesproken dat het voortaan altijd zo zou gaan tussen leden van hun organisaties. Natuurlijk werd de bond van Prinsessen niet geinformeerd. Stel je voor! Die wilden bloed, rook en vuur. Prinselijke heldendaden, romantisch weggevoerd worden of wanhopig huilen uit het torenraam. En zo sneuvelde hier en daar nog wel een “vrije” draak of prins, maar voor de rest leefde iedereen nog lang en gelukkig.
Menig prins kreeg zo zijn prinses maar dat was niets voor prins Gerwijn. Draak kwam prins Gerwijn nog regelmatig tegen als deze weer eens een prinses kwam redden. Volgens prins Gerwijn waren prinsessen alleen de eerste twee, drie weken leuk. Lekker zoenen, lekker knuffelen. Daarna begonnen ze te zeuren. Ze wilden trouwen met een supertrouwerij, een bijkasteeltje, een tweede witte paard, een eigen prinsesje in een toren. Dan was het volgens de prins tijd om ze weer in hun toren op te sluiten en belde hij de Bond van Draken. Ja, prins Gerwijn vermaakte zich wel!
Draak vond het allemaal wel best. Hij zwierf door het land, zat af en toe eens op een toren en las een goed boek bij elke “slaapprinses”. Dan was het drakenleven goed.